Verslag Studiemiddag 13 maart 2015 ‘M/V en verder: sekseregistratie en de juridische positie van transgenders’

Op 13 maart 2015 vond de studiemiddag ‘M/V en verder: sekseregistratie en de juridische positie van transgenders’ plaats. Deze middag was georganiseerd door het Utrecht Centre for European Research into Family Law (UCERF) in samenwerking met de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB). In het kader van het WODC rapport met dezelfde titel, geschreven door  Marjolein van den Brink en Jet Tigchelaar, werd er gesproken en gediscussieerd over de toekomst van sekseregistratie onder het voorzitterschap van professor Titia Loenen (Universiteit Leiden). 

Lisette Kuyper van het Sociaal en Cultureel Planbureau ging in op de prevalentie en sociaal maatschappelijke positie van transgenders en mensen met een intersekse conditie. Het rapport over sekseregistratie is met name relevant voor deze mensen omdat zij niet steeds gemakkelijk in de M/V categorieën passen. Hierna gaven Marjolein van den Brink en Jet Tigchelaar in vogelvlucht een overzicht van het WODC-onderzoek en hun bevindingen. Volgens de onderzoekers bestaan er nauwelijks internationaalrechtelijke belemmeringen voor het onbepaald laten van geslacht, omdat doorgaans ‘geslacht’ niet gedefinieerd is. Wel moet rekening worden gehouden met problemen bij de uitvoering ervan in de praktijk. De omvang en aard van de juridische en praktische gevolgen daarvan is afhankelijk van de vorm van registratie die wordt gekozen, en van de soort wetgeving (over bijvoorbeeld  vader- en moederschap, of over naar sekse gesegregeerde voorzieningen, zoals gevangenissen).

Vanuit de praktijk reageerde de voorzitter van het Transgendernetwerk Nederland, Carolien van de Lagemaat, op het rapport door de aanwezigen erop te wijzen dat het niet altijd makkelijk is om te leven als trans in de openbaarheid. Vanuit de politiek sprak Margreet de Boer, lid van de Eerste Kamer voor GroenLinks, over de aanleiding voor de onderzoeksopdracht en over de reactie van (inmiddels oud-) staatssecretaris Teeven op het rapport. COC woordvoerder Philip Tijsma deed een oproep aan het parlement en de regering om geslachtsregistratie af te schaffen. Machteld Vonk (Universiteit Leiden) belichtte het perspectief van het belang van het kind, waarbij ze zich afvroeg of het mogelijk zou zijn om in de geboorteakte in eerste instantie geen geslacht te registeren, en kinderen op latere leeftijd (Maar welke? 12, 16 jaar?) zelf te laten kiezen.

Na de pauze sprak Eric Gubbels van de NVVB. Hij beschreef de binnenlandse en buitenlandse internationale rechtsgevolgen in geval van afschaffing van sekseregistratie, bijvoorbeeld omtrent de erkenning van familierechtelijke betrekkingen, het naamrecht en het aangaan van een huwelijk. De binnenlandse gevolgen schatte hij  in als ‘kleine hindernissen’, echter de buitenlandse gevolgen kunnen grote problemen opleveren op het terrein van internationaal privaatrecht, niet alleen voor transgenders maar voor iedereen met Nederlandse documenten.

Miriam van der Have van het Nederlands netwerk intersekse/DSD noemde geslacht het meest misbruikte persoonsgegeven. Zij stelde dat er sinds de inwerkingtreding van de transgenderwet (juli 2014) feitelijk geen geslachtsregistratie meer plaatsvindt, maar enkel de registratie van genderidentiteit op basis van zelfidentificatie. Patrick Reijnen, privacyfunctionaris bij de gemeente Amsterdam, vond dat het niet meer registreren van het gegeven geslacht onwenselijk zou zijn, deels omdat er behoefte is aan gegevens over geslacht, maar ook omdat anders het gevaar bestaat dat organisaties zelf schaduwregistraties gaan aanleggen. Hij was echter wel voorstander van het restrictiever omgaan met de verstrekking van het geslachtsgegeven door het als bijzonder en (daarmee) privacygevoelig persoonsgegeven te beschouwen en uitdrukkelijk te toetsen op noodzakelijkheid alvorens het te verstrekken.

Titia Loenen stelde dat het internationaal gezien toch wenselijk is om geslacht te registreren, bijvoorbeeld voor het VN-Vrouwenverdragcomité, om genderongelijkheid aan te pakken. Daarnaast belichtte ze een specifiek juridisch probleem: hoe kunnen er seksegesegregeerde voorzieningen worden aangeboden zonder geslachtsregistratie? Hierbij wees ze op naar sekse gescheiden  voorzieningen in de jeugdzorg en psychiatrische instellingen, waar kwetsbare groepen veiligheid nodig hebben. Geertje Mak (Radboud Universiteit Nijmegen) vond een derde hokje een hele slechte (tussen)oplossing. Het zou leiden tot meer sekseongelijkheid, omdat ‘vrouwelijkheid’ en ‘mannelijkheid’ voor de ‘normale’ categorieën zouden worden geaccentueerd ten opzichte van het ‘abnormale’ derde hokje. Zij concludeerde dat voor sekseregistratie preciezer moet worden aangegeven wanneer het lichaam van belang is, wanneer een persoonlijk gevoel en wanneer een juridische kwalificatie of administratief gegeven? Mak pleitte ervoor bij de verstrekking van informatie over geslacht steeds te vragen waarom de overheid of de derde het gegeven nodig heeft. De partij die het gegeven aanvraagt zal het belang moeten aantonen.

Ter afsluiting van de boeiende studiemiddag, concludeerde Titia Loenen dat het algemeen gevoel van de aanwezigen en sprekers was dat afschaffing van geslachtsregistratie op termijn een goed doel zou zijn. Er bestond wel verschil van mening over de problemen die zouden moeten worden overwonnen om dit doel te bereiken. Het werd ook duidelijk dat al op de korte termijn kan worden ingezet op het veel restrictiever verstrekken van gegevens over geslacht, gezien de privacygevoeligheid van het persoonsgegeven geslacht.

 
Delen: