WODC onderzoek: De regeling en rechtsgevolgen van vermissing in rechtsvergelijkend perspectief

De afgelopen twee decennia is er zowel internationaal als nationaal meer aandacht gekomen voor vermissing van personen en de gevolgen daarvan voor achterblijvers. Op Europees niveau heeft de Raad van Europa een Recommendation opgesteld inzake de Principles concerning missing persons and the presumption of death CM/Rec (2009). Op nationaal niveau zijn er de afgelopen jaren Kamervragen gesteld aan de Minister voor Veiligheid en Justitie over de problemen die achterblijvers ondervinden na een vermissing. Binnen het beleidsthema Slachtofferbeleid heeft in 2016 een ronde-tafelbijeenkomst plaatsgevonden. De minister heeft hierbij toegezegd een rechtsvergelijkend onderzoek te laten uitvoeren naar de wijze waarop andere landen met deze problematiek omgaan, zodat we “met de inzichten elders ons voordeel doen bij de oplossing van eventuele knelpunten”. Daarbij diende eveneens de voorstellen die zijn gedaan tijdens de rondetafelbijeenkomst te worden meegenomen. Dit onderzoek naar de regeling en rechtsgevolgen van vermissing in rechtsvergelijkend perspectief is in de periode van mei tot en met september 2017 uitgevoerd door het Utrecht Centre for European Research into Family Law (UCERF).

De vraag die in dit onderzoek centraal staat, luidt: Welke beleids- en wettelijke maatregelen bestaan er voor (achterblijvers van) vermiste personen in Nederland, België, Denemarken, Duitsland en Engeland & Wales en kunnen deze maatregelen een oplossing bieden voor de gesignaleerde knelpunten (van achterblijvers) in Nederland? Zijn er eventueel andere mogelijkheden om deze knelpunten op te lossen?

Het voornaamste doel van het onderzoek is om oplossingen in kaart te brengen om de problemen die achterblijvers ondervinden bij een vermissing te verminderen. Daarbij ligt de nadruk op de lessen die geleerd kunnen worden in het buitenland, maar is tevens verkennend onderzoek gedaan naar oplossingen die zijn aandragen tijdens het parlementaire debat, in de literatuur en in de interviews. Het onderzoek richt zich hierbij specifiek op meerderjarige vermisten, nu de onderzoeksvragen zijn ingegeven door de juridische problemen, die juist bij de categorie meerderjarigen doorgaans het grootste zijn. Langdurende vermissing van meer dan een jaar komt in Nederland naar schatting ongeveer 100 keer per jaar voor, onder wie ongeveer 50 volwassenen.

De voornaamste knelpunten voor achterblijvers bestaan uit (ernstige) financiële problemen die kunnen ontstaan na een vermissing van een naaste. Na verloop van korte tijd zullen er geen inkomsten meer zijn uit eventueel werk, terwijl tegelijkertijd (contractuele) verplichtingen doorlopen, zoals huur en hypotheeklasten. Een ander juridisch aspect dat is verbonden aan de eigen woning van echtgenoten dan wel geregistreerde partners is dat toestemming van de vermiste vereist is om de woning te kunnen verkopen (art. 1:88 BW). Ook als de partners samen een huis gekocht hebben (maar niet getrouwd zijn) is gezamenlijk handelen door de wet voorgeschreven (art. 3:175 BW). Doorgaans zal er geen volmacht zijn op grond waarvan de ene partner de andere partner in dit opzicht kan vertegenwoordigen. Als de maandelijkse (rente)lasten die aan de hypotheek verbonden zijn niet meer betaald worden, zal de bank op een gegeven moment overgaan tot een executoriale verkoop van de woning tegen een waarde die meestal lager ligt dan de waarde bij een niet-executoriale verkoop.

Ook in andere opzichten kunnen achterblijvers doorgaans de vermiste niet in rechte vertegenwoordigen als er geen volmacht is. Het gaat dan om alle lopende contracten met derden en plichten richting de overheid waaraan voldaan moet worden, zoals het doen van belastingaangifte, het beheren van rekeningen, verzekeringen stopzetten en abonnementen (telefoon/krant/etc.) beëindigen. Het aanstellen van een bewindvoerder wordt niet altijd als een oplossing beschouwd, omdat bij achterblijvers het beeld bestaat dat hier heel veel tijd overheen gaat en het lang duurt voordat het een en ander geregeld is. Bovendien bestaat het idee dat het kostbaar is en dat de bewindvoerder slechts kleine dingen kan doen, maar niet wezenlijk kan bijdragen aan een oplossing voor de problemen. Daarnaast wordt het gezien als een inbreuk op de privacy, omdat door de achterblijvers inzicht aan de bewindvoerder van buiten gegeven moet worden in de financiële en vermogensrechtelijke belangen van de vermiste. Als de bewindvoerder iemand binnen de familie- of kennissenkring is, dan kost de bewindvoering vaak veel tijd, mede omdat er niet altijd sprake is van expertise. Tegelijkertijd is het nadeel van een derde, dat een ‘vreemde beslissingen neemt over jouw leven’.

Als de achterblijver de persoon is die niet voldoende eigen inkomsten heeft om financieel voor zichzelf en eventuele kinderen te kunnen zorgen, kan zich het probleem voordoen dat er geen financieel vangnet is. Hoe langer de situatie duurt, hoe nijpender de problemen kunnen worden. Achterblijvers zijn daarbij niet alleen afhankelijk van de termijnen die in de wet zijn opgenomen voor de mogelijkheid om iemand dood te verklaren, maar ook van de duur van de procedure zelf.

Bij het zoeken naar oplossingen, en de afweging van belangen daarbij, speelt de termijn voordat een verklaring van (een rechtsvermoeden) van overlijden kan worden verzocht een belangrijke rol. Naarmate een langere tijd verstrijkt zullen de belangen van achterblijvers en derden zwaarder gaan wegen en die van de vermiste minder zwaar. De vraag kan worden opgeroepen of de termijn ingekort dient te worden naar bijvoorbeeld drie jaar of zelfs helemaal geen termijn. Door moderne communicatie- en opsporingsmiddelen is het, anders dan voorheen, makkelijker om een levensteken te geven c.q. te ontvangen dan voorheen. Het risico van verdwijnen met het oogmerk om bepaalde verplichtingen te ontlopen, is een punt dat meegewogen moet worden, maar in het onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor misbruik van de wettelijke regeling van art. 1:413 BW. Bovendien is er, ook internationaal, een verschuiving waarneembaar, waarbij in toenemende mate belang wordt gehecht aan de belangen van achterblijvers. Indien er helemaal geen wettelijke termijn meer zou zijn, zou de rechter een discretionaire bevoegdheid moeten krijgen om in een vroeg stadium, afhankelijk van een omstandigheden van de vermissing, een op de feiten toegesneden termijn te bepalen. Het voordeel van maatwerk gaat hand in hand met het nadeel van een grote rechtsonzekerheid, omdat de rechter niet langer aan termijnen gebonden is. Rechters zullen niet vaak een vermissingszaak behandelen, en het opbouwen van expertise om tot een zekere uniformering te komen via rechtspraak is daardoor lastig. Gelet hierop zou een concentratie van deze zaken bij één rechtbank binnen Nederland hiervoor een oplossing kunnen bieden. De voor- en nadelen daarvan moeten in kaart gebracht worden, zoals bijvoorbeeld langere reistijd voor achterblijvers.

 
Delen: