WODC-onderzoek internationale kinderontvoering

Onderzoekers van UCERF hebben in samenwerking met de DSP-groep onderzoek gedaan naar internationale kinderontvoering. Het betrof een procesevaluatie en rechtsvergelijking van de procedure bij inkomende zaken internationale kinderontvoering dat in opdracht van het ministerie van Veiligheid en Justitie werd uitgevoerd. Eind oktober is het onderzoeksrapport  ‘Internationale kinderontvoering De uitvoeringspraktijk van inkomende zaken in Nederland, Engeland & Wales, Zweden en Zwitserland’ aangeboden aan de Tweede Kamer. Klik hier voor het volledige onderzoeksrapport en een samenvatting.

Op jaarbasis zijn er in Nederland ongeveer 50 inkomende zaken internationale kinderontvoering. Dit zijn zaken waarbij een kind ongeoorloofd vanuit het buitenland naar Nederland wordt overgebracht. Op grond van (inter)nationale wetgeving is Nederland verplicht om dit soort zaken met spoed te behandelen. Sinds 2009 heeft een aantal belangrijke wets- en beleidswijzigingen plaatsgevonden om de procedure bij inkomende zaken internationale kinderontvoering te bespoedigen. De voornaamste wijzigingen bestonden uit een veranderende rol voor de Centrale autoriteit (van procesvertegenwoordiger naar stelselvertegenwoordiger), het concentreren van de rechtsmacht in Den Haag en het beperken van de cassatiemogelijkheid in het belang der wet. Het onderzoek ziet op de vraag of deze wijzigingen worden uitgevoerd zoals beoogd en hoe de Nederlandse uitvoeringspraktijk zich verhoudt ten opzichte van de uitvoering in andere landen met een vergelijkbaar stelsel.

Uit het onderzoek blijkt dat de wijzigingen op hoofdlijnen worden uitgevoerd zoals beoogd, waarbij duidelijk naar voren komt dat alle betrokken partijen zich inspannen om de procedure zo goed mogelijk te laten verlopen voor de ouders en het kind. Het proces kan op echter op enkele punten worden verbeterd, waarbij het noodzakelijk is dat er een goede afstemming tussen de partijen komt en dat zij gefaciliteerd worden bij hun dienstverlening.

Op de volgende onderdelen zijn verbeteringen mogelijk:

  • Duidelijkheid verschaffen over de verplichtingen en bevoegdheden van de Ca
  • Inzichtelijker maken van hoe de processen op zaakniveau verlopen, bij welke partijen, en wat momenten en redenen van uitval zijn.
  • Duidelijkheid verschaffen over de rol van het IKO-nummer en de (financiële) consequenties voor ouders en professionals indien het IKO-nummer ontbreekt.
  • Verbetering van de doorlooptijden in met name het eerste deel van het proces.
  • Meer toezicht en begeleiding bij (gedwongen) teruggeleidingen.

Het onderzoeksrapport verschijnt begin november ook bij Boom Juridische uitgevers in de reeks Familie en Recht: M. Jonker, M. Abraham, C. Jeppesen de Boer, W. Van Rossum & K. Boele Woelki, Internationale kinderontvoering, De uitvoeringspraktijk van inkomende zaken in Nederland, Engeland & Wales, Zweden en Zwitserland. Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2015.

 
Delen: